The Devil had new shoes…
Met magneten erin die hem op aarde houden en verhinderen datti de diepte ingezogen wordt waar i thuishoort.
Zware magneten erin de stand op afstotend, met scherpe metalen punten als neus en ook aan de zijkanten. Het zijn nota bene laarzen, ook dat nog. Glimmende zwarte laarzen met vervaarlijke metalen punten, blikkerend en bovenal intimiderend in wat voor licht dan ook.
Nou, die zijn mooi weg hoor. Verdwenen.
De hele duivel is verdwenen compleet foetsie, laarzen en al.
God Zij Dank.
Door de grote flipflop, die ik al zo lang verwacht had erop anticiperend hoewel ik geen flauw benul had waar ik mee te maken had en dat maakte de zaken nog gecompliceerder.
Je kunt wel zeggen dat ik nogal een relatie met de duivel gehad heb.
Dat moet ik eerlijk toegeven, alleen heb ik nogmaals geen enkele sjoege waarom, must be something I did in the Past.
Als kind was ik al doodsbang voor de duivel waar ze op de nonnenschool vaak en met veel gepassioneerde overgave over verhaalden, je zag het voor je, en dat was ook de bedoeling. Doodsangst. Sterf duizend doden want je was een slecht kind, je voldeed niet. De hel, met duivels die in je prikten met drietandige vorken om te voelen of je al gaar was terwijl jij lag te spartelen in de grillpan op een laag vuurtje, slow cooking. Waarom denk ik altijd slaw als ik slow zeg, waarom zie ik dan ook altijd echt een krop sla voor mij groen en sappig en soms een broodje Coleslaw als ik erge trek heb. Merkwaardig. Waarom zeg ik take it slaw?Love kills slawly?
Waar was ik? De duivel. Ik had het geluk dat het mijn vader was die naar de kerk ging en mijn moeder die ongelovig was, was nou, volgens mij het meest gelovige van allemaal, op een eigen, andere manier. Moeder zei ben je mal kind, als er een God zou bestaan zou hij zeker geen duivel scheppen, dat is een mensendroom. Gepaard aan een zekere nonchalance nam ik dit onmiddellijk voor waar aan, een hele opluchting, met een kleine twijfel die je wegduwde, want wat wist zij daar nou helemaal vanaf, als ongelovige? Hoe dan ook een paar jaar liet de duivel me met rust, om weer ten tonele te verschijnen toen ik twee, drieëntwintig was, en opgenomen op een psychiatrische afdeling. Zo’n omgeving, OMGeving, smikkelen en smullen was dat voor een beetje duivel hij stond dan ook direct paraat.
‘PRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR’
Getverdehetverder, wat is dat nou weer? De bel gaat. waar is mun stok. Mun kruk, waar issi? My stick my stick my kingdom for a stick. Er is een heel garnizoen inmiddels. Nergens. Die moet toch opvallen ergens, zo’n lelijke stok moet toch opvallen? Hoeveel tijd ga ik de komende periode doorworstelen met het zoeken naar mun stok, waarom leg je nooit iets op een vaste plaats, dan weer hier, dan weer daar. Aha, nu dus hier, voor de verandering, tegen de kapstok waar i kan vallen niet zo slim daar breek je je nek dan over, over je kruk. Nee ik ben niet dement dat ik het aldoor over stokken heb. Mijn wereld is gekrompen van de een op andere dag, en opeens horen daar stokken bij, zijn die van het grootste belang. En daar moet je van de een op andere dag mee overweg. Fysiotherapie stelde ook niks voor, in het ziekenhuis, komt er zo’n dokter langs, fysiotherapeut dus, zegt i zo wij gaan even oefenen met de krukken, zeg ik oh, wat grappig, gaat u ook oefenen? En welke stok wilt u, de linker of de rechterstok? Ik haat het woord wij op die manier.
Het zal de dokter wezen, half twee. Voorzichtig naar beneden tree voor tree. Mind your steps mind your steps… Alleen nu veel langzamer en de diepte in, de depth of that trap-part…‘Joehoe joehoe’… mind the gaps…

Je hoeft niet te roepen, de nieuwe deur is geluidsdicht. Ach, de dokter zal wel snappen dat het een tijdje duren kan voordat de deur opengaat. Stap voor stap.
Mind your steps, mind the gaps…
Zo, pufpufpuf, dat duurt lang, maar ik ben beneden. De dokter is allang weer weg, en deur openmaken levert teveel stress op, dus oefenen geblazen. Ook als de bel niet gaat daal ik af naar beneden so hum so hum so hum.
Goh wat zit die nieuwe deur naadloos dicht vergeleken met de oude deur. Meer dan veertig jaar begrenzing tussen binnen en buiten. Een deur die door dik en dun dienst gedaan had, door weer en wind, door gebonk en gebeuk, met uiteindelijk een spleet overdwars gebarsten door het het midden verticaal van boven naar beneden hoe lang had die deur er zo uitgezien, een niet bepaald uitnodigende deur, ook al wassi in een helderder kleur blauw en werd i uiteindelijk vakkundig en creatief gerepareerd door Patrick en voorzien van een nieuw plexiglazen raampje in doorzichtig geelgroen. Limoen. De deur zelf werd vervolgens door de schilder in een diepe Rembrandtblauwe kleur geschilderd, zo professioneel dat je je erin kon spiegelen en daar had ik hem heel veel complimenten voor gegeven. Als dank daarvoor heeft hij het glazen naambordje met erin gegraveerd MURPHY boven het raampje gehangen, het geinige naambordje dat ik wel had laten maken maar niet op de deur geschroefd had omdat het wel een deur leek van een junk, zo verveloos en afgetrapt en afgebeukt zag die deur eruit, de binnenkant was helemaal een droef verhaal met stickers die de boel tevergeefs wat op probeerden te vijzelen ierder jaar ongeveer wat, en nooit eraf halen, dat effect. Dankzij die schilder was het aan de buitenkant bijna een sjieke deur, ware het niet datti zwaar uit het lood hing, zowat uit zun voegen barstte op een manier van je kan in de stront zakken, er hoe dan ook uitzag als een rouwdeur, ik kan er niks anders van maken, daar deed i me altijd aan denken, vooral omdat David Bowie net dood was, een rouwdeur: mooie panelen, zwaar, goed hout hield meer dan 42 jaar stand, want die deur was er al toen ik er kwam wonen glimt tegen de klippen op, straalt ook ouderwetse degelijkheid uit, ambachtelijk gemaakt, maar ja, die kleur met dat limoengroene valse raampje plus dat witte marmeren minigrafzerkje ernaast waar planten in stonden en een grillig stuk hout als een faun om de klimroos heen, romantisch absoluut, en toch en toch een rouwdeur en toch en toch zo gelikt zo sjiek een deur waar je trots op kon wezen entree mee kon maken dus had de schilder op mijn verzoek mijn naambordje precies in het midden boven dat raampje geschroefd wat vals geel oplichtte als je het licht aanzette het contrasteerde nogal heftig met die petroleumblauwe rouwdeur die door die noodlottige valpartij nu niet meer bestond, NO MORE DOOR!
Dwars doormidden was getrapt zodat de politie en ambulancebroeders door het gat van de absente deur konden stappen om mij te redden aangezien ik geen vin meer kon verroeren, happend naar lucht, in het donker, boven in de loft, pijn niet te geloven, mun mooie loft een tombe, lovedtobeloft, mun Russische datsja, ’s nachts, in het holst van de nacht, lichten uit, nog niet eens kunnen spartelen als een vis op het droge, gewoon roerloos. Gedachten ook verstard. Daar maakten ze met zun allen snel een end aan, die roerloze staat. Hoe wazig en wezenloos wat dan ook door mij werd opgemerkt, het was en bleef een droom iets buiten mij om dat mij niet echt raakte, de bloeddrukapparaten de injectienaalden die vol en leeg door de lucht vlogen, eerst de afgerukte verpakkingen en vervolgens kkrrrakkk de uit de weg geschoven glazen tafel vol kletterende stenen en schelpen en glazen beestjes het enige wat ik denken kon was oeioeioeiii tot ik op een brancard werd gehesen en tot mun kin aan toe stevig dichtgesjord werd met riemen en dekens een mummie en ze me vroegen of ik nog kleren meemoest en na gemummel mijnerzijds zij lukraak wat uit de kast trokken, achteraf precies de rok en vest en truitje dat ik er zelf ook uit tevoorschijn getukt zou hebben, die somberbruine rok, met erop verontrustende vogels en bloemen in geappliqueerde ruitjes en stippels in beige en grijs met het ouwe trouwe ijsblauwe truitje en het stoere spijkervestje net iets te slobberig om het lijf waar zo te voelen niet enkel figuurlijk de botten uitstaken, ja hoor, heup gebroken, waarschijnlijk verbrijzeld gezien de zogenaamd luchtige niksandehandblikken die ze me van tijd tot tijd toewierpen in de ambulance terwijl ik mun kiezen teveel op mekaar moest klemmen om ook maar iets vriendelijkers uit te kunnen kermen dan so hum so hum so hum, en logischerwijs begrepen ze daar niks van dus deed ik het niet en dat is maar goed ook. Uit mun hum is een understatement voor mijn conditie van dat moment.
Na uren vol tunnels en buizen en naalden en prikken infuusen en slangen werd ik naar mijn nieuwe kamer gereden, waar ik de enige patiënt was, die ze op het ene gereedstaande bed hesen: ‘een-twee-drie..’
‘Vier!’ riep ik terwijl ik zachtjes landde op een donzenwolkig bed dat er nota bene zo zakelijk ziekenhuizig uitgezien had op een afstand, dus oncomfortabel; zo zie je maar weer, je moet nooit te snel oordelen.
Waarom ik vier riep weet ik niet. Een impuls die onweerstaanbaar was.Vier je leven? Wat nou vier?
Het was best een mooi kamertje, kan ik me herinneren. Vooral fraai uitzicht op een boom en veel groen. De foto hierboven, iets te ver naar boven geschoven eerlijk gezegd, dat is de eerste blik die ik werp op mijn nieuwe kamertje, een ziekenhuiskamer weliswaar, mooi toch my room made in heaven. Lang heb ik er dan ook niet mogen vertoeven. Heaven is somewhere else.
De volgende dag met een ambulance naar een ander ziekenhuis voor de kunsthipstar transformatie, ook al wist ik er op dat moment nog niks van.